Rechtbank Amsterdam 1 december 2011 (PC-regeling voor scholieren), LJN BV1048
Verweerder, gemeente Amsterdam, heeft aanvraag voor een PC-voorziening op grond van de PC-regeling afgewezen. De dochter van eiser volgt een Beroepsopleidende Leerweg (BOL), en BOL-onderwijs valt niet onder het begrip ‘voortgezet onderwijs’ als bedoeld in de PC-regeling. Rechtsvraag: is er sprake van een gerechtvaardigd onderscheid tussen leerlingen van het voortgezet onderwijs en leerlingen van het BOL-onderwijs bij de toekenning van een PC-voorziening op grond van de PC-regeling? Of is het in de PC-regeling gemaakte onderscheid in strijd met art. 1 Gw en art. 26 IVBPR?
Verweerder stelt dat leerlingen in het BOL-onderwijs een beroep kunnen doen op de WTOS of de Beleidsregels Scholierenvergoeding (hierna: de Scholierenvergoeding) voor een tegemoetkoming in de schoolkosten. Zij kunnen hiervan een computer met toebehoren kopen.
De door verweerder genoemde WTOS heeft een andere doelstelling dan de PC-regeling. De doelstelling van de PC-regeling is er in gelegen om kinderen van ouders met een laag inkomen thuis in staat te stellen om huiswerk te maken en toegang te hebben tot internet via een computer. Om dit doel te bereiken verstrekt verweerder in natura een computer met toebehoren aan degenen die tot de doelgroep behoren. De WTOS daarentegen biedt een algemene tegemoetkoming in schoolkosten. De WTOS biedt een tegemoetkoming voor onder meer schoolboeken en les- of cursusgeld. De regeling is dus mede bedoeld voor andere activiteiten dan alleen het thuis kunnen gebruiken van een computer voor het doen van huiswerk, zoals met de PC-regeling wordt beoogd. Voorts wordt de tegemoetkoming op grond van de WTOS, in tegenstelling tot de PC-regeling, uitgekeerd in geld en niet in natura. Zowel het gegeven dat de WTOS bedoeld is voor allerlei andere schoolkosten, als het gegeven dat de uitbetaling in geld plaatsvindt, leiden ertoe dat niet gezegd kan worden dat een beroep op de WTOS zal leiden tot de beschikbaarheid van een PC-voorziening.
Nu verweerder gelet op de doelstelling van de PC-regeling geen rechtvaardiging op objectieve en redelijke gronden heeft gegeven, is het door verweerder in de PC-regeling gemaakte onderscheid in strijd met artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van het IVBPR.